Ook hier in ons Franse dorp is de dood van Martin Bril niet ongemerkt voorbijgegaan. Het echtpaar van de krantenwinkel had hem herkend aan de foto op de voorpagina van de Volkskrant.
“Hij was beroemd in uw land!” zeiden ze verbaasd. Overigens was die Volkskrant om half elf ’s morgens al uitverkocht, zoals de enige Herald Tribune die ze krijgen steevast op was als Bril hier verbleef. Hij stond veel vroeger op dan ik zodat de vijftien kilometer die hij verder weg woonde, niks uitmaakte.
“Hij snoepte de Herald Tribune altijd voor u weg en nu zorgt zijn dood ervoor dat alle Volkskranten op zijn.” Het echtpaar kon hier de grap wel van inzien.
Ik heb Martin anderhalve week geleden voor het laatst gezien. Op donderdag ben ik bij hem langs gegaan om te vertellen dat ik maandag zou gaan rijden. Hij zat achter zijn computer. Zijn benen, die hij nauwelijks nog kon gebruiken, hingen schuin langs zijn lichaam. Hij had een witte baard. Ook scheren was een probleem geworden.
“Hoe laat ga je weg?” vroeg hij. Ik zei dat ik van plan was tussen acht en half negen te gaan rijden.
“Niet doen. Dan sta je tot Utrecht in een file. Je moet om negen uur weggaan”, zei hij. We namen de kansen op files rond Antwerpen door.
“Daar is niks van te voorspellen. Er hoeft maar één vrachtwagen panne te krijgen en de hele boel staat stil”, zei hij. Eigenlijk was hij zelf alweer op reis, gewoonweg door er met mij over te praten. Er was niet veel voor nodig om Martins geestdrift te wekken.
“Ik zie je over drie weken weer”, zei ik.
“Dat weet ik wel zeker”, zei hij. Aan elkaars stemmen hoorden we dat dit onwaarschijnlijk was. Toch gaf ik hem geen hand. Dat zou op een afscheid duiden en tot afscheid nemen was hij nog lang niet bereid.
Op maandagochtend belde ik hem om een uur of elf op om te zeggen dat ik als een speer langs Antwerpen reed. Zijn telefoon was dood. Martin zelf ging twee dagen later.