Omdat ik in een praatprogramma op de televisie zou verschijnen, belandde ik in wat ze in Nederland een ‘voorgesprek’ noemen. De gast spreekt alvast de gespreksonderwerpen door met iemand van de redactie. Het was een meisje. Een van de onderwerpen die ter sprake zouden komen, was een nieuw nummer van het voetbaltijdschrift Hard gras dat vijftien jaar bestaat.
“Wat staat er zoal in Hard gras?” vroeg de redactrice.
“Bijvoorbeeld een verhaal door P.F. Thomése over J. Kessels. Kent u hem?” vroeg ik.
“Jazeker, van het boek ‘J. Kessels, the novel’. Waarover gaat dit verhaal?”
“Over de Chinees. J. Kessels at altijd één keer per week bij de Chinees. Hij nam dan steevast bami, of bami speciaal. Nu komt hij er elke dag en werkt hij de hele menukaart af”, legde ik uit.
“Waarom doet hij dat?” vroeg het meisje.
“Vanwege een lekker Chinees mokkel”, zei ik.
“O, staat Chinees mokkel op de kaart dan?” vroeg ze. Het duurde even voordat ik begreep dat de redactrice dacht dat een lekker Chinees mokkel een gerecht was. Ik verklaarde dat een mokkel in de terminologie van J. Kessels een meisje of vrouw behelsde.
“Wat staat er nog meer in Hard gras?” vroeg ze.
“Een fragment uit een zogenaamd toneelstuk over Willem en Truus van Hanegem. Weet je wie Truus van Hanegem is?” vroeg ik.
“Nee.”
“Ze was de populairste voetbalvrouw van het land. Jarenlang zat ze in allerlei panels en deed ze mee aan quizjes op de televisie”, zei ik.
“Ze deed dus mee aan een soort Lingo?” vroeg ze. Ik dreigde weg te zakken in een inktzwarte depressie. Voor het eerst in weken had ik Radio 1 weer op. In Utrecht hadden ze een buschauffeur bewusteloos geslagen omdat hij een strippenkaart wilde afstempelen. En nauwelijks bij Breda de grens over voerde ik een voorgesprek waarbij ik Mandarijn leek te praten.
“Koefnoen is ook te gast in onze uitzending. Wat vindt u van Koefnoen?”
“Niet veel aan. Ik ben een liefhebber van wat plattere humor”, zei ik.
“Ja, u houdt meer van humor met Chinese mokkels”, zei ze.