Wilhelm Janssen koopt in 1886 een perceel grond tegenover het dan vijf jaar oude treinstation. De uit het Duitse Weeze afkomstige bierbrouwer ziet een gouden toekomst. Zijn Cambrinus-bier kan per spoor worden vervoerd naar steden als Nijmegen en Venlo. Het Boxmeerse bier vindt de eerste jaren in de nieuwe brouwerij gretig aftrek in de regio. Janssen (1846-1925) heeft geen opvolgers en verkoopt de brouwerij in 1923 aan Arthur Adrianus van der Westerlaken (1896-1959) uit het Brabantse Chaam. Als brouwerszoon kent hij de kneepjes van het vak. Gerste-bier, Oudt Bruin, Münchener en Cambrinus-pilsener vinden hun weg naar de cafe’s of gewoon naar Boxmerenaren die aan de Stationsweg een kan bier komen halen. Als zoon Achilles (1930-1999) de brouwerij in de naoorlogs jaren omvormt tot een drankenhandel eindigt een roemrucht stukje Boxmeerse brouwerijgeschiedenis. In de jaren vijftig van vorige eeuw verdwijnen de koperen ketels om plaats te maken voor de groothandel, die tot 1997 blijft bestaan. Enkele jaren geleden is het complex verkocht aan projectontwikkelaar Gerard Janssen uit Wijchen, die het momenteel tot appartementencomplex Brouwhuis Cambrinus verbouwt.